22. B - Oude drukken

22.1. Inleiding

We beschouwen als oude druk gedrukte publicaties die vroeger dan 1830 zijn uitgegeven. Deze tijdsmarkering is echter niet scherp, maar heeft eerder te maken met de pre-industriële druktechniek, de papiersoort (handgeschept papier), enz. en het is best mogelijk dat publicaties uit 1830 of recenter evengoed tot de oude drukken dienen gerekend te worden. In die zin is de aanduiding als oude druk eerder een vormelijke typering dan een exacte datering.

De oude drukken vragen om een meer uitgebreide beschrijving dan moderne werken:

  • een meer uitgebreide authority controle (o.a. in het impressumveld).
  • een groter aantal op te nemen auteurs.
  • een grotere detaillering van de collatie.

Het beschrijven van oude drukken kent nog specifieke problemen, omdat de relatie tussen een fysieke band/volume en een werk niet altijd zo duidelijk is:

  • Omdat werken door eerder toevallige oorzaken samen werden ingebonden (convoluten).
  • Omdat werken al of niet samen werden (her) uitgegeven met andere werken.
  • Omdat werken op een later tijdstip door een uitgever werden verzameld in een nieuwe bundel.

Voor de accurate beschrijving daarvan in Anet dienen drie principes met elkaar verzoend te worden:

  1. De opzoekbaarheid van relevante titels
  2. Het respect voor de zgn. eenheid van drukwerk (d.w.z. een - ideale kopie van een - drukwerk dat eventueel kan bestaan uit onderdelen die wezenlijk tot het geheel behoren).
  3. Het wezen van de Anet catalogus, die gebruikers een correct zicht wil geven op de (on)beschikbaarheid van een bepaalde titel (m.n.: de leensituatie).

Voor het eerste principe betekent dat: het onderscheid tussen zgn. sprekende en niet sprekende (of, anders uitgedrukt: eerder generieke) titels.

Voor het tweede principe betekent dat: het onderscheid tussen toevallige verzamelingen van publicaties (de zgn. “echte” convoluten) en publicaties die in het uitgaveproces werden verzameld, maar waarbij de onderdelen in sommige gevallen ook apart kunnen voorkomen.

Voor het derde principe betekent dat: enerzijds de beschrijving van de publicaties, anderzijds de constructie van gegevens over de band waarin die publicaties zich bevinden, en die voor de leen als één eenheid dient beschouwd te worden (“naakte beschrijving”).

Zie verder bij Relaties.

Alle aanvullingen en uitzonderingen op het regelwerk voor de moderne drukken worden hier opgesomd. Zij vormen geen handleiding op zich, maar moeten gebruikt worden in combinatie met het geheel van de Anet- regels voor de beschrijving van moderne werken.

Niet altijd echter is het voor een instelling mogelijk (wegens tijdsgebrek, ...) om het regelwerk voor de oude drukken toe te passen op die oudere werken. In die gevallen worden werken gedrukt vóór 1830 gewoon beschreven volgens de regels van de moderne drukken.

22.2. Algemene bepalingen

22.2.1. Diakritische tekens

Accenten die, bv. wegens gebruik van kapitalen, ontbreken, worden niet hersteld in functie van het accentgebruik in het boek zelf.

Voorbeeld:

  • ‘L’ AME DU DEFUNT’ wordt ‘L’ame du defunt’.
  • ‘ZEE-EGEL’ wordt ‘Zee-egel’.

Waarschuwing

Zie voor moderne drukken: Diacritische tekens.

22.2.2. Ligaturen

Voor de meeste talen, ook het Latijn, worden de ligaturen opgesplitst in hun individuele letters.

Uitzonderingen:

  • æ : in het Oudengels
  • œ : in het Frans
  • æ en œ : in oude en moderne Scandinavische talen

De moderne drukken volgen andere regels.

22.3. Lidmaatschap

Oude drukken die beschreven worden volgens het regelwerk van de oude drukken, dienen zowel het lidmaatschap zebra als het lidmaatschap oude drukken (od) te krijgen.

Indien oude drukken beschreven worden volgens de regels voor de moderne drukken, wordt enkel het lidmaatschap zebra toegekend.

22.4. Drager

Steeds meer oude drukken zijn beschikbaar in verschillende elektronische formaten. Bepaalde werken zijn gedigitaliseerd als beeld en/of als tekst, sommige werken zijn beschikbaar op microfilm of op cd-rom. Per beschrijving wordt steeds de juiste drager ingevoerd.

22.5. Taal van de inhoud

Zie de regels voor moderne drukken.

22.6. Titel

Zie ook

Regels voor moderne drukken.

22.6.1. Bron van de titel

Voor de titel kunnen volgende bronnen gebruikt worden: titelpagina, document, colofon, extern.

22.6.1.1. Titelpagina

Bij oude drukken komt het vaak voor dat er zowel een gegraveerde titelpagina als een typografische titelpagina is. Bij meerdelige werken komt het zelfs voor dat er drie of vier titelpagina’s zijn: overkoepelende gegraveerde en/of typografische, gegraveerde en/of typografische voor het (eerste of volgende) deel.

Er moet dan, per titelbeschrijving, gekozen worden welke titelpagina voorrang krijgt, voor het ganse record.

Er wordt voorrang gegeven aan de overkoepelende titelpagina:

  • Voorrang aan typografische titelpagina
  • Indien geen typografische: gegraveerde titelpagina

Indien er een titelpagina is voor een onderdeel:

  • Voorrang aan typografische titelpagina
  • Indien geen typografische: gegraveerde titelpagina

Indien er geen titelpagina is:

  • Titel elders uit het werk (privilege, colofon, ...)
  • Titel uit secundaire bronnen (verantwoorden in algemene noot)

22.6.1.2. Document

Als gekozen wordt voor de bron document, dan moet dat in annotatie verduidelijkt worden.

22.6.1.3. Colofon

Bij oude drukken gebeurt het al wel eens dat de titelpagina ontbreekt. De titel kan dan worden overgenomen uit het colofon, dat is de mededeling, meestal aan het einde van de druk, die informatie geeft over de technische realisatie.

22.6.1.4. Extern

Als bron extern gekozen wordt, dan moet die bron in annotatie verduidelijkt worden (annotatietype br of alg).

Bij titelgegevens met zetfouten krijgt de gecorrigeerde titel, als secundaire titel, de bronaanduiding extern.

Voorbeeld:

Hoofdtitel, bron titelpagina

  • Nieuwe ende blijde, tijdinghe wt Duyslandt [sic] ende Vranck-rijck
  • Fpigrammaton [sic] libri XII. Xeniorvm lib. I. Apophoretorvm lib. I.
  • Pratyke [sic] om de sieken in doots noot by te staen
  • Prognosticatie ende voor sichticheyt [sic] voor het iaer ons heeren Iesu Christi M.DC.XXVII. Dienende sonderlinghe voor dese Nederlanden

Secundaire titel, bron extern

  • Nieuwe ende blijde, tijdinghe wt Duytslandt ende Vranck-rijck
  • Epigrammaton libri XII. Xeniorvm lib. I. Apophoretorvm lib. I.
  • Praktyke om de sieken in doots noot by te staen
  • Prognosticatie ende voorsichticheyt voor het iaer ons heeren Iesu Christi M.DC.XXVII. Dienende sonderlinghe voor dese Nederlanden

22.6.2. Zetfouten en omissies in de titel

Zetfouten worden overgenomen, gevolgd door _[sic]_. Ontbrekende letters moeten, indien mogelijk, tussen vierkante haken worden toegevoegd. De titel zonder zetfout resp. zonder omissies wordt als secundaire titel opgenomen.

Voorbeeld:

Titel: An hnmble address
wordt
  • hoofdtitel: An hnmble [sic] address
  • secundaire titel: An humble address
Titel: he true history
wordt
  • hoofdtitel: [T]he true history
  • secundaire titel: The true history

Een intentioneel aangebrachte spatie wordt aangeduid met [blanco]. Als de ontbrekende tekst gekend is, wordt die tussen vierkante haken gegeven.

Voorbeeld:

  • ad diem [blanco] sept.
  • ad diem [7] sept.

22.6.3. Afwijkende tekens in de titel

In titels van oude publicaties (o.a. Latijnse teksten) worden sommige letters op een andere manier voorgesteld dan wat het moderne alfabet mogelijk is. En in sommige gevallen worden diezelfde afwijkende tekens ook gebruikt in moderne drukken. Het gaat dan om het gebruik van volgende letters: i, j, u, v, w.

Bij oude drukken wordt de titel zoals hij op de titelpagina staat ingevoerd als secundaire titel. In de hoofdtitel wordt de omgezette titel opgenomen.

Voorbeeld:

  • Mare libervm wordt in de hoofdtitel Mare liberum
  • Iesus wordt in de hoofdtitel Jesus
  • Jerste wordt in de hoofdtitel ierste
  • Vna wordt in de hoofdtitel una
  • controuersia wordt in de hoofdtitel controversia

De dubbele V wordt W.

Voorbeeld:

  • Antvverpiae wordt in de hoofdtitel Antwerpiae
  • novveau wordt in de hoofdtitel nouveau

Wanneer de eindletters ij (ook wel y of I) niet als tweeklank zijn gebruikt, maar als een verbogen vorm (m.n. in Latijnse teksten), worden ze als ii weergegeven.

Voorbeeld:

  • varij of vary wordt in de hoofdtitel: varii.
  • burggravI wordt in de hoofdtitel: burggravii.
  • bij blijft bij.

De Moderne drukken volgen andere regels.

22.6.4. Romeinse cijfers in de titel

Romeinse cijfers in het titelveld blijven behouden en worden in geen geval in Arabische cijfers of in letters omgezet. Ze worden genormaliseerd op volgende wijze:

  • ( | ) wordt M
  • | ) wordt D

Spaties binnen de getallen met Romeinse cijfers worden weggelaten.

Voorbeeld:

  • M D CC XL III wordt MDCCXLIII

De interpunctie wordt behouden, ook de eindpunt.

Voorbeeld:

  • M.D.CC.XIIII

Fouten of varianten in getallen met Romeinse cijfers blijven behouden, en, waar nodig, gevolgd door [sic].

Voorbeeld:

  • M.D.C.IIII

  • M.DC.XVVII wordt:

    In de hoofdtitel: M.DC.XVVII [sic]
    In de secundaire titel, met bron extern: M.DC.XXII
Romeinse cijfers in onderkast worden niet genormaliseerd.

Voorbeeld:

  • mdciii

Als op het einde van de titel in een getal met Romeinse cijfers de i vervangen wordt door een j, dan blijft die schrijfwijze behouden.

Voorbeeld:

  • ... mdciij

Van een jaartal waarin superscript voorkomt, worden alle letters op dezelfde lijn ingevoerd. Er wordt een annotatie toegevoegd over de interpretatie ervan.

Voorbeeld:

Het jaartal 1553, op de titelpagina als XVCLIII wordt ingevoerd als XVCLIII.
Annotatie alg: XVCLIII te lezen als 1553

Waarschuwing

Voor moderne drukken zijn er andere regels.

22.6.5. Interpunctie

Over het algemeen wordt de interpunctie ongewijzigd overgenomen, behalve bij (imitatie van) epigrafie. Overbodige punten tussen letters of woorden, bedoeld om Latijnse opschriften na te bootsen, worden stilzwijgend weggelaten, en kapitalen worden waar mogelijk omgezet naar letters uit de onderkast.

Voorbeeld:

  • De punten in Ianuarius 1621. 12. Nieuwe tijdinghe [...] blijven behouden als volgt: Ianuarius 1621. 12. Nieuwe tijdinghe [...]
  • De punten in September, 1621. 137. Nieuwe tijdinge; uut den legher by Wesel blijven behouden als volgt: September, 1621. 137. Nieuwe tijdinge; uut den legher by Wesel
  • PANEGYRICUS.IN.OBITUM.CAROLI.V. wordt: Panegyricus in obitum Caroli V.

Waarschuwing

Voor moderne drukken zijn er andere regels.

22.6.6. Abbreviaturen en contracties

Abbreviaturen en contracties (verkorte woorden en contracties door afkapping of samentrekking, voorzien van een afkortingsteken) worden in de hoofdtitel zoveel mogelijk overgenomen zoals ze op de titelpagina voorkomen.

Een aantal gevallen wordt, tussen rechte haken, opgelost in een secundaire titel, behalve veel voorkomende afkortingen van een of twee letters (D., P., R.D., H., hh.,...) die worden niet opgelost. Ook abbreviaturen en contracties waarvan de voluit geschreven vorm niet duidelijk is, worden niet opgelost. Contracties waar een gedeelte in superscript voorkomt, worden op dezelfde lijn ingevoerd. Het gedeelte in superscript wordt voorafgegaan door een punt. De letter p met horizontale schreef, voor pre-, per-, pro-, etc. wordt getranscribeerd als p en niet opgelost in de hoofdtitel. In de secundaire titel wordt indien mogelijk opgelost.

Voorbeeld:

Epistola R.D. I. Gillemans

  • Hoofdtitel: Epistola R.D. I. Gillemans
  • Geen secundaire titel nodig

Historia seraphica vitae BmiP. Francisci Assisiatis

  • Hoofdtitel: Historia seraphica vitae b.mi P. Francisci Assisiatis
  • Secundaire titel: Historia seraphica vitae b[eatissi]mi P. Francisci Assisiatis

...ppetua...

  • Hoofdtitel: ...ppetua...
  • Secundaire titel: ... p[er]petua...

... eorû...

  • Hoofdtitel: ...eorû...
  • Secundaire titel: ... eoru[m]...

... illmo...

  • Hoofdtitel: ...ill.mo...
  • Secundaire titel: ... ill[ustrissi]mo, tenzij er twijfel bestaat over de volledige vorm; dan is geen secundaire titel nodig.

22.6.7. Fractuurkomma

De fractuurkomma (of Duitse komma: het schuine streepje /), als interpunctieteken (komma) gebruikt, wordt door een komma weergegeven.

Waarschuwing

Zie de regels voor interpunctie voor moderne drukken.

22.6.8. Meertalige titels

De transcriptie van paralleltitels gebeurt - zo nodig getranslitereerd - in de orde waarin de paralleltitels op de titelpagina voorkomen.

22.7. Auteurs

22.7.1. Bron van de auteur

Naargelang de vindplaats van de auteur verschilt de bronaanduiding:

  1. Titelpagina: auteurs vermeld op de typografische titelpagina en de gegraveerde titelpagina (als er geen typografische titelpagina is).
  2. Document: auteurs vermeld op de gegraveerde titelpagina (als er wel een typografische titelpagina is), de approbatie, privilegie, vertalers en illustratoren niet vermeld op de titelpagina.
  3. Extern: auteurs ontleend aan andere bibliografische referenties. In dat geval is een annotatie noodzakelijk van het type br, met opgave van de externe bron.
  4. Colofon.

22.7.2. Auteurs: authoritybestand

Alle personele auteurs worden uit het authoritybestand overgenomen. Indien nodig worden ze dus eerst in het authoritybestand ingevoerd.

Zie ook

De regels voor de historische namen.

22.7.3. Aantal in te voeren auteurs

Alle auteurs die op de titelpagina voorkomen, worden opgenomen.

22.7.4. Vertaler

De naam van de vertaler kan worden opgenomen, ongeacht de plaats waar hij in het boek (voorwoord, approbatie) vermeld wordt.

Waarschuwing

De moderne drukken hanteren andere regels.

22.7.5. Scribent

Scribent wordt gebruikt voor een persoon die geschreven kopies maakt van gedrukte teksten, of gedicteerde tekstopschriften noteert, en voor de schrijver van manuscripten.

  • De scribent kan dus zowel een echte auteur zijn van een manuscript, als iemand die alleen maar teksten overschrijft.
  • De scribent wordt ingevoerd met auteursfunctie scr.

Manuscripten

Bij manuscripten/handschriften is de scribent erg belangrijk, het is soms de enige persoon waarover iets geweten is (bv. kopiisten in de middeleeuwen).

Handgeschreven partituren

Bij partituren is de scribent (als kopiist van de partituur van een andere componist) dikwijls ook zelf een componist met eigen werk. Daarom wordt hij niet ingevoerd in het auteursveld maar wel in het annotatieveld. Anders kan het eigen werk van die componist niet meer direct worden teruggevonden.

Voorbeeld:

Werken van Peter Benoit, gekopieerd door Emil Wambach, zelf componist. Wordt ingevoerd als:

  • annotatietype alg: <MS>, kopiist: Emile Wambach

Voorbeeld:

  • <MS>, kopiist: Edward Keurvels, 1 maart 1904

22.7.6. Illustrator

De illustratoren die niet op de titelpagina vermeld staan, maar elders in het werk, kunnen al dan niet worden opgenomen.

22.8. Editie

Waarschuwing

de moderne drukken (editie) hanteren andere regels.

De editievermelding wordt gegeven wanneer op de publicatie een formele vermelding staat waardoor zij aangeduid wordt als deel uitmakend van een editie, of waardoor blijkt dat er verschillen zijn ten opzichte van een voorgaande editie.

De editievermelding wordt woordelijk en zonder afkortingen overgenomen wanneer ze op de titelpagina staat, en begint altijd met een hoofdletter.

Voorbeeld:

  • The fourth edition
  • Editio altera
  • Vermeerderde uitgave

Wanneer op de titelpagina editievermeldingen in meer dan één taal of alfabet staan, worden ze alle overgenomen in de orde waarin ze op de titelpagina voorkomen en gescheiden door het gelijkheidsteken. Wanneer de editievermelding in haar geheel deel uitmaakt van een ander veld, wordt ze in dat veld zonder verantwoording weggelaten. Ze wordt in het editieveld opgenomen.

22.9. Impressum

Op sommige publicaties staan meerdere impressa: hetzij naast of onder elkaar, hetzij op verschillende plaatsen in het boek (bijvoorbeeld op de titelpagina en in het colofon).

Wanneer het gaat om verschillende duidelijk afzonderlijke impressa, worden meerdere impressumvelden ingevuld.

Als in het impressumveld (plaats, uitgever, drukker) afwijkende tekens gebruikt worden (zie Afwijkende tekens), dan worden die altijd omgezet naar modern gebruik (in de platte tekst zowel als in een authority record), zoals ook gebeurt in de hoofdtitel. Voor de originele vorm wordt geen verwijzing gemaakt.

Waarschuwing

De moderne drukken volgen andere regels.

22.9.1. Type

Er zijn twee types:

  1. Normaal: dit is het gewone impressum, dat veruit het meeste voorkomt.
  2. kopij-impr.: herkenbaar aan formuleringen zoals:
    • Gedrukt na de copy tot [plaats]
    • Gedrukt naar de Latijnse kopie, die gedrukt is te [plaats]
    • Gedruckt nae de copye van Amsterdam
    • Copy [...]

22.9.2. Plaats van uitgave

Waarschuwing

de moderne drukken volgen andere regels.

22.9.2.1. Bron

Afhankelijk van de keuze van de titelpagina verschilt de bronaanduiding van de impressumgegevens.

  • Colofon.
  • Titelpagina: overkoepelende titelpagina, typografische titelpagina, gegraveerde titelpagina (als er geen typografische titelpagina is).
  • Document: gegraveerde titelpagina (als er wel een typografische titelpagina is), als de plaats niet uit het impressumblok op de titelpagina komt.
  • Extern: plaats ontleend aan een andere bibliografische referentie.

22.9.2.2. Authority bestand

De plaats van uitgave in de publicatie wordt steeds gekopieerd uit het authoritybestand (type G) in de vorm zoals hij voorkomt, rekening houdend met de afspraken die volgen.

De vorm zoals hij op de titelpagina voorkomt dient altijd als verwijzing aan het authorityrecord toegevoegd te worden, zelfs al is die verwijzing identiek aan de hoofdvorm.

Voorbeeld:

Hoofdvormen:

  • Antwerpen
  • Antwerp
  • Anvers

Verwijzingstermen:

  • Antverpiae
  • Thantwerpen
  • Amberes

Afspraken:

  • Latijnse plaatsnamen behouden de locatief.

    Voorbeeld:

    • Antvverpiae wordt Antwerpiae.
  • het voorzetsel voor de plaatsnamen wordt weggelaten.

    Voorbeeld:

    • Tot Leyden wordt Leyden.
    • Thantwerpen blijft Thantwerpen.
    • t’Antwerpen wordt Antwerpen.
    • Ter Gouw blijft Ter Gouw.
  • elk ander woord of zin, voorafgaand aan of volgend op de plaatsnaam en ermee verbonden, wordt verwaarloosd.

    Voorbeeld:

    • Gheprent Thantwerpen wordt Thantwerpen.
    • Excudebatur Amstelodami wordt Amstelodami.

22.9.2.3. Fictieve adressen - schijnadressen

De plaats van uitgave zoals die in een boek is weergegeven, is niet altijd de echte plaats van uitgave. Het betreft dan een schijnadres of een schuiladres wanneer een bestaande plaats wordt gebruikt als schuiladres. In sommige gevallen gaat het om een fictieve plaats: een plaats die niet bestaat, zoals Waarheidsstad of Luilekkerland.

1. De werkelijke plaats van uitgave is bekend

In het record van de werkelijke plaats wordt een verwijzingsterm aangemaakt met de verwoording zoals die voorkomt in het impressum, gevolgd door de werkelijke plaats van uitgave tussen vierkante haken, met een gelijkheidsteken. In een algemene of een bibliografische noot wordt toegelicht op welke basis de toewijzing gebeurd is.

Voorbeeld:

  • Impressum: Loven : Nicolaes Braau, 1637
  • Authority record: hoofdvorm: Haarlem. Verwijzingsterm (type verwijzing): Loven [= Haarlem]
  • Annotatie br: STCN

2. De werkelijke plaats van uitgave is onbekend

Als het schuiladres op de titelpagina een bestaande plaats is:

  • In het record van de bestaande plaats wordt een verwijzing (type verwijzing) toegevoegd waarin de verwoording van de titelpagina wordt overgenomen, met als extensie mystificatie.

    Voorbeeld:

    • Impressum: Anvers : chez Jacques Moens
    • Authority record : hoofdvorm : Antwerpen. Verwijzing (type verwijzing) : Anvers [mystificatie]
    • Annotatie alg: Niet gedrukt in Antwerpen; waarschijnlijk gedrukt in Frankrijk

Als het schuiladres op de titelpagina een niet bestaande plaats is:

  • Er wordt een authorityrecord aangemaakt met als hoofdvorm de genormaliseerde vorm van de plaats, en als extensie Fictieve plaats. Verwijzingen worden overgenomen van de titelpagina. Ze krijgen geen extensie of aanduiding tussen vierkante haken.

    Voorbeeld:

    • Impressum: Gedrukt in Landt-uit : by Colophon van Bacharach
    • Authority record: hoofdvorm: Land-uit [Fictieve plaats]. Verwijzing (synoniem): Landt-uit
    • Annotatie alg: Gedrukt in de Zuidelijke Nederlanden

Verdere afspraken:

  • Negatieve verwijzingen worden beschouwd als fictieve plaatsen (bv. Buiten Rome of Buiten Antwerpen)
  • Het schijn-uithangbord mag niet gebruikt worden als plaats van uitgave (bv. in de vrije landsman, in het licht van de maan).
  • De werkelijke situatie is niet altijd eenvoudig af te leiden uit het impressum. Soms is meer onderzoek nodig en kan een algemene noot verduidelijking brengen.

    Voorbeeld:

    • Impressum: En Amberes, a costa de Iuan Hesray, año M.DC.XIV
    • Colofon: Antverpiae, typis Gerardi Wolsschatii, et Henrici Aertsii
    • Annotatie alg: Juan Hesray was actief als uitgever in Madrid. Hij liet dit boek drukken in Antwerpen

22.9.2.4. Restitutie van de plaats van uitgave

Als in de publicatie een ruimere omschrijving voorkomt dan een stad, dan wordt die opgenomen in een algemene annotatie.

Wanneer in de publicatie geen plaats van uitgave staat, ook geen fictieve, maar als een aanduiding (bv. adres, huisnaam,

drukkersmerk, ...) toelaat met zekerheid de plaats van uitgave te bepalen, dan wordt deze opgenomen met als bron extern. De Nederlandse hoofdvorm wordt ingevoerd zonder taalextensie.

Voorbeeld:

  • Op die Cammerpoortbrugghe wordt: Antwerpen.

Is de plaats van uitgave onzeker, dan wordt voor de vermoedelijke plaats het authority record gebruikt, met als bron extern. In een annotatie van het type algemeen wordt de keuze toegelicht.

Is restitutie onmogelijk, dan wordt de taalonafhankelijke code <SL> genoteerd, met als bron extern.

22.9.3. Naam van de uitgever

Waarschuwing

De moderne drukken volgen andere regels.

22.9.3.1. Bron

Afhankelijk van de keuze van de titelpagina verschilt de bronaanduiding van de uitgevers.

  • Colofon.
  • Titelpagina: overkoepelende titelpagina, typografische titelpagina, gegraveerde titelpagina (als er geen typografische titelpagina is).
  • Document: gegraveerde titelpagina (als er wel een typografische titelpagina is), als de naam niet uit het impressumblok op de titelpagina komt. Als bron document gekozen wordt, moet dat verduidelijkt worden in een annotatie.
  • Extern: naam ontleend aan andere bibliografische referentie. Als bron extern gekozen wordt, moet dat verduidelijkt worden in een annotatie.

22.9.3.2. Authority bestand

Uitgevers worden steeds gekopieerd uit het authority bestand (type IU: uitgevers oude drukken), rekening houdend met de afspraken die verder beschreven worden.

In het authority bestand worden alle uitgevers opgenomen met slechts één hoofdvorm met de gestandaardiseerde naam in het Nederlands, Frans en Engels als verwoording. Voor de hoofdvorm kiest men bij voorkeur de vorm die aanbevolen wordt in de referentiewerken terzake.

Alle vormen die in de publicaties voorkomen worden als verwijzing opgenomen.

Als twee verschillende uitgevers, drukkers, ... tesamen vernoemd worden in een samenwerkingsverband (in een opsomming met en), dan wordt daarvoor een nieuw authorityrecord aangemaakt. Dit gezamenlijke record wordt met een horizontale relatie verbonden met de individuele records van de uitgevers.

Voorbeeld:

  • Bij Hieronymus Verdussen & Joannes Steelsius

Indien meerdere drukkers met accolade of een andere typografische nevenschikking vernoemd worden, dan wordt gebruik gemaakt van afzonderlijke records.

Voorbeeld:

Een publicatie met volgend impressum...

  • ‘t Antwerpen gedrukt bij Hubert Bincken
  • En te koop in Amsterdam bij
  • {de Weduwe Wetstijns
  • {Matthias Goss
  • 1745

...Leidt tot 3 impressumvelden:

  • Antwerpen : gedrukt bij Hubert Bincken, 1745
  • Amsterdam : te koop bij de weduwe Wetstijns, 1745
  • Amsterdam : te koop bij Matthias Goss

Verder worden alle authorityrecords van uitgevers, oude drukken gerelateerd aan het overkoepelend record Uitgevers oude drukken (als broader term).

Extensies bij de authorityrecords van oude drukkers dienen altijd gekapitaliseerd te worden. Bv. Gebroeders.

In de scope note van het type biografie wordt het werk van de drukker toegelicht. De data zijn de levensdata van de drukker, niet van zijn/haar bedrijf.

Voorbeeld:

  • Nederlandse verwoording: Plantijn, Chr.
  • Franse verwoording: Plantin, Chr.
  • Engelse verwoording: Plantin, Chr.
  • Verwijzing: ex officia Plantiniana

In het authorith record zijn links toegelaten (via een attribuut) naar:

  • STCN
  • CERL

22.9.3.3. Het concept uitgever

Onder uitgever wordt hier verstaan: drukker, uitgever en/of verspreider (boekhandelaar, boekverkoper, verdeler).

Alle namen van de uitgevers, drukkers, verspreiders worden onverkort getranscribeerd in de vorm waarin ze op de bron vermeld staan, en verbonden met de functieaanduiding van de bron.

Zo worden ongewijzigd overgenomen:

  • voornamen en initialen
  • mededelingen als vidua, de erfgenamen van ...
  • functieaanduidingen in de vorm van redactionele formules (bv. in officina, impensis) of een uitdrukkelijke functie-vermelding (bv. typis, te koop bij)

Adressen en huisnamen, vermeld naast de naam of zonder de naam van de uitgever, worden niet overgenomen.

Voorbeeld:

  • gedruckt by J. van Liesvelt in den Schilt van Artoys op die Cammerpoortbrugghe wordt gedruckt by J. van Liesvelt.

22.9.3.4. Functieaanduidingen

De functieaanduiding van de uitgever wordt toegevoegd aan de verwijzingsterm, gebruikt in de catalografische beschrijving. Op die manier blijft die verwoording die op de titelpagina voorkomt zo getrouw mogelijk bewaard in de beschrijving.

Het type van de Functie in het impressumveld wordt niet gebruikt om de functieaanduiding gestandaardiseerd te verwoorden. Er dient daarom altijd niet gedefinieerd gekozen te worden.

22.9.3.5. Restitutie van de uitgever

Voor een toeschrijving aan een uitgever die wel zeer waarschijnlijk is maar niet geheel zeker, wordt een authority record gebruikt, en de toeschrijving wordt verduidelijkt is een algemene annotatie.

Is de toeschrijving aan een uitgever twijfelachtig, dan wordt dat aangeduid met de toevoeging [mystificatie].

Als de drukker niet bestaat, dan wordt daarvoor een authority record gemaakt met als extensie fictieve drukker.

Indien drukkers de naam van een collega misbruiken, dan wordt die verwoording opgenomen in het record van de ware drukker, zoals op de titelpagina (de schuilnaam), met tussen rechte haken een gelijkheidsteken en de naam van de ware drukker: apud Joannem Meursium [=Schippers, J. [weduwe]].

Is restitutie van de naam van de uitgever onmogelijk, dan wordt in de beschrijving de taalonafhankelijke code <SN> opgenomen met als bron extern.

22.9.4. Jaar van uitgave

Waarschuwing

:De moderne drukken volgen andere regels.

22.9.4.1. Jaar in impressum

Het jaar van uitgave wordt opgenomen zoals het in het impressum vermeld wordt. Het jaar wordt weergegeven in Arabische cijfers. Latijnse dateringen worden omgezet (M.D.CL. wordt 1650).

De eventuele datum die voorkomt, wordt beperkt tot het jaar van uitgave.

Voorbeeld:

  • Anno gratiae millesimo quingentesimo septimo die vero decimoctavo Maii wordt: 1507.

Jaartallen uit andere tijdrekeningen, zoals de joodse, de islamitische of de republikeinse kalender, worden omgezet naar de christelijke tijdrekening.

22.9.4.2. Restitutie van het jaar van uitgave

Als het jaar van uitgave niet in de publicatie is vermeld, maar met zekerheid kan worden gerestitueerd, dan wordt het opgenomen.

Is het jaar van uitgave niet met zekerheid gekend, dan wordt een vermoedelijke datum opgegeven.

De vermelding s.a. wordt best vermeden.

22.9.4.3. Invoerprocedure

Zie de algemene invoerprocedures.

22.10. Collatie

Het collatieveld is belangrijk om het boek te identificeren, maar ook om na te gaan of een exemplaar volledig is of niet.

In het collatieveld wordt uitgegaan van de ideal copy. Die mag geconstrueerd worden op basis van bibliografische referenties (STCN, STCV,...) en hypotheses (als er duidelijk een blad ontbreekt, dan wordt dat stilzwijgend gecorrigeerd).

Afwijkingen, hetzij bedoeld door de drukker (bv. een ander voorwerk), hetzij toevallig (bv. bindfouten, onvolledigheid) worden enkel vermeld in een exemplaarannotatie.

22.10.1. Type

Er zijn 2 types van collatie:

  1. Normaal: standaardwaarde.
  2. Oblong: de publicatie is breder dan hoog.

22.10.2. Paginering

Waarschuwing

De moderne drukken volgen andere regels.

22.10.2.1. Eendelige werken

De volledige paginering wordt vermeld. Ongenummerde bladzijden worden geteld en in Arabische cijfers tussen vierkante haken vermeld.

Voorbeeld:

  • [8], 328, [16] p.

Zijn de bladzijden langs beide zijden genummerd, dan wordt de omvang van de publicatie in pagina’s uitgedrukt en aangegeven als p. na het getal en een spatie.

Zijn de bladen langs één zijde genummerd, dan wordt de omvang van de publicatie in folio’s uitgedrukt en aangegeven als <F> na het getal en een spatie.

Staan er twee kolommen op één pagina en zijn die genummerd, dan wordt de omvang van de publicatie in kolommen uitgedrukt en aangegeven als <KOL> na het getal en een spatie. Zijn er meer dan twee kolommen per pagina, dan wordt dit in de annotatie vermeld.

Indien de bladzijden of bladen met een letter “genummerd” zijn, dan worden de eerste en de laatste letter genoteerd, voorafgegaan door de gestandaardiseerde afkorting p. of de taalonafhankelijke code <F>, al naargelang de bladzijden of de bladen van een

letter werden voorzien.

Voorbeeld:

  • p. A-K
  • <F> a-k

Indien de goede orde van de publicatie enkel wordt aangegeven met de signaturen, dan wordt het aantal bladzijden niet opgegeven.

Romeinse cijfers, Griekse paginering,... blijven behouden. Romeinse cijfers worden genormaliseerd (u/v; j/v) maar het onderscheid in boven- en onderkast blijft behouden.

Voorbeeld:

  • xxuij wordt xxvii
Indien de laatste pagina, folio of kolom fout is genummerd, dan wordt er tussen vierkante haken verbeterd.

Voorbeeld:

  • 253 [=235] p.

Publicaties in een andere dan de codex-vorm (bv. een portefeuille, een vel, een rol) worden met een geëigende term aangeduid, voorafgegaan door het cijfer 1. De vermelding van paginering, foliëring enz. volgend op deze aanduiding, wordt tussen ronde haken geplaatst.

Voorbeeld:

  • 1 vel (4 <KOL>)
  • 1 portefolio (26 <F>)

Plano’s krijgen als paginering 1 plano

Ongepagineerde werken worden in Arabische cijfers als folio’s vermeld.

Voorbeeld:

  • [88] <F>

De blanco pagina’s in de collatie vermelden is enkel wenselijk bij blanco pagina’s achteraan het boek. Vaak werden deze niet mee ingebonden. Door de aanduiding in de collatie wordt dan duidelijk dat er geen colofon of errata ontbreekt. De blanco pagina’s worden zowel vernoemd in de collatieformule als bij de paginering.

Voorbeeld:

  • 122, [x blanco] p.
  • A-X{12} (X12 blanco)

22.10.2.2. Meerdelige werken

Voor elk volume wordt een nieuw collatieblok aangemaakt. Er is een overkoepelende collatieblok voor de globale omschrijving.

Het eerste collatieblok bevat de globale beschrijving, bv. 2 v., en het bibliografisch formaat.

In het tweede en volgende collatieblok wordt de collatie beschreven van elk volume (zonder bibliografisch formaat).

Wanneer het aantal fysieke delen, dat bij oude drukken nogal eens kan variëren, niet overeenkomt met het aantal bibliografische delen, wordt dit aangegeven als annotatie bij het plaatskenmerk: 2 v. in 3 <BDN>

22.10.3. Illustraties

Waarschuwing

De moderne drukken volgen andere regels.

Illustraties, ook al is er maar één, worden steeds vermeld. Drukkersmerken worden ook vermeld. Decoraties (sierinitialen, friezen, vignetten, enz.) worden echter niet als illustraties beschouwd. De aanwezigheid van illustraties wordt aangegeven door ill.

Specifieke illustraties als kaarten, plattegronden, portretten, tabellen, drukkersmerken of een frontispice worden aangeduid met resp. K>, plattegronden, portretten, tabellen, frontispice

Voorbeeld:

  • ill., portretten, <K>, drukkersmerk

Is de specifieke illustratie de enige in de publicatie, dan vervangt de aanduiding daarvan de afkorting ill.

Voorbeeld:

  • frontispice

Uitslaande tekstfolio’s worden niet in het illustratieveld opgenomen, tenzij het om tabellen gaat (tabellen).

Aantallen worden niet vermeld.

22.10.4. Afmetingen (cm)

Waarschuwing

De moderne drukken volgen andere regels.

Afmetingen worden niet opgegeven. Het bibliografisch formaat levert voldoende informatie.

Bij plano’s wordt het paginaveld gebruikt.

Voorbeeld:

  • 1 plano

22.10.5. Bibliografisch formaat

Het bibliografisch formaat wordt bepaald overeenkomstig McKerrow’s Introduction en Bowers’ Principles.

De tabel, zoals overgenomen uit de Handleiding voor de Short Title Catalogus Vlaanderen, geeft een handig overzicht van de meest voorkomende formaten, met aanduiding van de richting van de kettinglijnen en de positie van het watermerk.

Naam Symbool Aantal bladen Kettinglijnen Positie van het watermerk
plano 1 ° 1 horizontaal 1/4 lengte-as 1/2 breedte-as
folio 2 °
2
4
6
8
verticaal midden
quarto 4 °
2
4
8
horizontaal deels zichtbaar halfweg de binnenmarge
octavo 8 °
2
4
8
10
verticaal deels zichtbaar halfweg de bovenmarge
duodecimo long 12 °
6
12
verticaal deels zichtbaar halfweg de bovenmarge
duodecimo common 12 °
4
6
8
12
horizontaal op 1/3 van de buitenmarge
sextodecimo 16 ° 8 horizontaal deels zichtbaar boven in de buitenmarge
octodecimo 18 °
6
8
10
12
verticaal midden
vicesimo-quarto long 24 ° 12 verticaal deels zichtbaar halfweg in de buitenmarge
vicesimo-quarto 24 °
8
12
horizontaal deels zichtbaar boven in de binnenmarge

22.10.6. Katernopbouw (collatieformule)

Het opnemen van de volledige katernopbouw kan zeer tijdrovend zijn. Het is daarom optioneel voor oude drukken.

Een eenvoudige collatieformule bestaat in principe uit de reeks van katernsignaturen en de aanduiding van het aantal bladen in deze katernen.

Voorbeeld:

  • Een werk bestaat uit vier katernen, gesigneerd als A, B, C en D. Elk katern bestaat uit vier bladen, die genummerd zijn als A, A2, A3, A4, enzovoort.
  • De formule wordt dan A-D4 (te lezen als A tot D in vier)

Voor oude drukken kan in het collatieveld de katernopbouw worden ingevoerd volgens de Gaskell-formule (zie Philip GASKELL, A new introduction to bibliography).

Voor een vereenvoudiging van die regels kan ook volgende werkwijze gevolgd worden:

  • De Griekse pi wordt als π aangegeven, de Griekse chi als χ.

  • Kapitaal en onderkast worden aldus genoteerd, behalve bij opeenvolgende reeksen van signaturen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen bv. gotisch en cursief.

    • ingevoerd als A-L{8} en in de OPAC weergegeven als A-L8
    • ingevoerd als a-m{8} en in de OPAC weergegeven als a-m8
  • Katernen van 4 folio’s van Aa tot Zz worden ingevoerd als: 2A-2Z{4} en in de OPAC weergegeven als 2A-2Z4

  • Katernen afwisselend in vieren en in achten of in zessen en in twaalven worden verkort opgegeven.

    • a8 b4 c8 d4 enz. tot en met v4 wordt ingevoerd als: a-v{8/4} en in de OPAC weergegeven als a-v8/4
  • Wanneer na een reeks de signering opnieuw begint, geven we dit aan door middel van een boven de lijn geschreven cijfer vóór het teken van de herhalende reeks.

    • ingevoerd als A-D{4} {2}A-D{4}, weergegeven als A-D4 2A-D4
  • Wanneer de reeks herhaald wordt, dan geldt deze herhaling voor de volledige reeks en niet enkel voor de signaturen die reeds werden gebruikt. Een signatuur in de herhaalde reeks krijgt dus steeds een bovengeschreven nummer, ook al is de betreffende signatuur zelf nog niet voorgekomen.

    • ingevoerd als A-C{4} {2}A-D{4} {2}E{6}, weergegeven als A-C4 2A-D4 2E6

22.11. Annotatie

Waarschuwing

Raadpleeg ook de algemene regels voor annotaties.

Bij oude drukken wordt het annotatieveld hoofdzakelijk gereserveerd voor bibliografische verwijzingen.

Deze verwijzing naar bibliografische literatuur wordt opgegeven voor incunabelen en is facultatief voor andere publicaties.

Dit gebeurt in chronologische volgorde en in een verkorte standaardvorm. De invoer gebeurt via algemene afkortingen, die bij registratie in Brocade geëxpandeerd worden naar de gecodeerde referentie.

We baseren ons voor de verkorte standaardvorm in eerste instantie op de lijst van Library of Congress (zie Standard Citation Forms); daarna de lijst van Cockx-Indesteghe (zie E. Cockx-Indestege, Handleiding bij de beschrijving van oude en bijzondere drukken, p. 187-201); daarna op de lijst van het Tabularium; daarna op die van STCV.

Voor titels die daar niet in voorkomen, worden de gecodeerde referenties geconstrueerd volgens de regels van de Standard Citation Forms (SCF), met inbegrip van de interpunctie (die mee wordt opgenomen in de citatie via de afkortingen).

22.12. Bibliografisch nummer - Fingerprint

22.12.1. Type Fingerprint

Als middel om edities te identificeren en van elkaar te onderscheiden, kan een vingerafdruk of een fingerprint worden ingevoerd. Daarvoor baseren we ons op de formules die gebruikt worden in de Short Title Catalogus Vlaanderen.

Algemene regels

  1. Volgens vaste regels wordt een formule opgesteld met volgende onderdelen:

    • Jaar en formaat
    • De positie van enkele welbepaalde katernsignaturen ten opzichte van de erboven staande tekstregel. Elke positie bevat drie elementen: indicator, signatuur en tekst boven de signatuur.
  2. Bij meerdelige werken wordt voor ieder deel een aparte vingerafdruk gemaakt.

  3. De vingerafdruk wordt gebaseerd op de ideal copy van het boek. Eventuele bind- en opmaakfouten worden genegeerd en stilzwijgend gecorrigeerd. Indien er onduidelijkheid bestaat over de juiste bindwijze van de ideal copy, kunnen meerdere vingerafdrukken opgenomen worden.

  4. De vingerafdruk krijgt een vaste interpunctie tussen de verschillende onderdelen. Om de opzoekbaarheid in Brocade te verhogen, wordt de vaste interpunctie aangevuld met een # tussen de verschillende onderdelen.

    • De jaar-en-formaat-code wordt gevolgd door spatie koppelteken spatie # spatie.

    • De voorwerk-groep(en), de hoofdwerk-groep(en) en de nawerk groep(en) worden telkens gescheiden door spatie koppelteken spatie # spatie.

    • De eerste en tweede positie binnen één groep worden telkens gescheiden door spatie dubbelpunt spatie # spatie.

    • Aan het einde van de vingerafdruk (na de laatste positie) volgt er niets meer.

      • 167809 - # a1 * 2 ai : # a2 *5 ma - # b1 A1 kwel : # b2 D5 waar

22.12.2. Jaar en formaat

Het jaar wordt gegeven zoals dat voorkomt in het impressum op de titelpagina.

  • Jaren worden steeds getranscribeerd in Arabische cijfers.

    • M.DC.LIJ wordt: 1652
  • Jaren in andere tijdrekeningen worden niet omgezet naar de christelijke tijdrekening.

    • An 7 wordt: 0007
  • (Zet)fouten worden niet verbeterd.

    • 1693 verkeerd gezet als 1963 blijft 1963.

    Uitzondering: indien het jaar defectief is (zoals bijvoorbeeld 16.9), dan wordt er 0000 genoteerd.

  • Komt er in het impressum op de titelpagina geen expliciet jaar van publicatie voor, dan wordt dit gegeven vervangen door 0000.

  • Jaartallen in oneigenlijke (kopij-)impressa worden wel overgenomen.

  • Jaartallen uit colofons en dergelijke worden niet opgenomen.

  • (Zet)fouten in Romeinse cijfers die een niet bestaand getal produceren (bijvoorbeeld M.D.MIJ) worden vervangen door 0000.

  • Bij (zet)fouten in het jaartal waarvan, op basis van andere exemplaren, blijkt dat ze op de pers zijn gecorrigeerd, worden twee vingerafdrukken opgenomen.

Het formaat wordt weergegeven als 02, 04, 08, 12, enzovoort. Oblong wordt niet aangegeven. Is het formaat niet met zekerheid vast te stellen, dan wordt het weergegeven als 00.

22.12.3. Indicatoren

De indicatoren worden als volgt benoemd:

  Eerste positie Laatste positie
Voorwerk a1 a2
Hoofdwerk b1 b2
Nawerk c1 c2

Eventuele onderverdelingen binnen een werk, die tot uitdrukking worden gebracht met een nieuw begin van de signering, worden in de vingerafdruk apart genoemd. De betreffende indicatoren krijgen dan vooraan een volgnummer (bijvoorbeeld 1b1, 1b2, 2b1, 2b2). Deze volgnummers worden afzonderlijk toegekend voor de voorwerk-, hoofdwerk- en nawerk-indicatoren.

Posities die niet voorkomen worden niet als zodanig aangegeven. Als er binnen een onderdeel van het werk slechts één positie kan worden genomen, waardoor de eerste en de laatste positie samenvallen, dan wordt deze opgegeven als a1=a2 enzovoort. Tussen de indicatoren en het gelijkheidsteken worden geen spaties geplaatst.

Bij de overgang tussen voorwerk en hoofdwerk kan het voorkomen dat één katern verschillende signaturen heeft. Indien in zo’n geval de overgang tussen de twee verschillende signaturen samenvalt met een inhoudelijke grens tussen voor- en hoofdwerk, dan wordt het voorwerk als een afzonderlijke bibliografisch onderdeel beschouwd en dus met de indicatoren a1 en a2 in de vingerafdruk opgenomen.

Voorbeeld:

  • Katern in acht bladen gesigneerd als volgt:

    • [*1] *2 *3 A4 A5 [A6][A7][A8]
    • katernopbouw: */A8 B-D8
    • vingerafdruk: # a1 *2 A : # a2 *3 en - # b1 A4 zo: # b2 D5 voort

Ligt er bij de overgang tussen de twee verschillende signaturen echter geen inhoudelijke grens, dan wordt de eerste (afwijkende) signatuuraanduiding beschouwd als een onregelmatigheid en krijgt de vingerafdruk slechts de hoofdwerkindicatoren b1 en b2.

Voorbeeld:

  • Katernen in acht bladen gesigneerd als volgt:

    • [*1] *2 *3 A4 A5 [*6][*7][*8]
    • [*1] *2 *3 *4 A1 [*6][*7][*8]*
    • katernopbouw: A-D8
    • vingerafdruk: # b1 *2 A : #b2 D5 voort

In beide gevallen wordt de werkelijke situatie in de catalografische opmerkingen verklaard.

22.12.4. Signaturen

22.12.4.1. Algemeen

De signaturen worden gegeven in vereenvoudigde vorm.

Voorbeeld:

  • Aaa iij wordt 3A3

Waarschuwing

Opgelet: de eerste folio van een katern, bijvoorbeeld A, wordt meestal zonder cijfer aangetroffen en dus ook genoteerd als A, en niet als A1.

In het uitzonderlijke geval dat er meer dan één signatuur per pagina voorkomt, wordt de onderste respectievelijk meest rechtse gebruikt.

Onder signatuur wordt de hele signatuur verstaan, dus met inbegrip van omringende haken, punten, ornamenten, enz. Een signatuur als (Aaa iij.) wordt verkort tot (3A3.).

Zetfouten in de signatuur worden niet gecorrigeerd. Ze worden wel in de catalografische opmerkingen verantwoord.

Bij staatverschillen die aanleiding geven tot een andere vingerafdruk wordt een tweede vingerafdruk opgenomen. Dit komt bijvoorbeeld voor wanneer een werk met twee verschillende dedicaties is uitgegeven, of wanneer een zetfout tijdens het drukken is verbeterd.

22.12.4.2. Keuze van de signaturen

De gekozen signaturen zijn de eerste en laatste van ieder primair of secundair bibliografisch (en niet inhoudelijk) onderdeel.

  • Het voorwerk wordt enkel en alleen in de vingerafdruk opgenomen wanneer het afzonderlijk is gesigneerd. Het wordt in principe als één geheel beschouwd. Elk inhoudelijk onderdeel van het voorwerk dat echter samenvalt met één signatuur ( * of § of + enz., al dan niet in een reeks) krijgt een eigen onderdeel in de vingerafdruk (1a1 ... 1a2 ... 2a1 ... 2a2 ... enz.). Omdat juist in het voorwerk nog wel eens staatverschillen optreden (andere opdracht, extra lofdichten) en omdat de ene binder bijvoorbeeld een register vooraan plaatst waar een ander het liever achteraan zet, kunnen er beter te veel dan te weinig onderdelen in de vingerafdruk worden genoteerd.
  • De tekst van het hoofdwerk wordt als één geheel beschouwd wanneer één of meer alfabetten regelmatig doorsigneren. De procedure wordt herhaald telkens als een (inhoudelijke) onderafdeling van de tekst met een nieuw alfabet begint (Aa, a, AA, enzovoort), ook als de vorige katern toevallig eindigt met een Z.
  • Als een nieuw (inhoudelijke) onderafdeling weliswaar binnen een katern begint, maar vanaf dat punt met een nieuw alfabet signeert, wordt de procedure ook herhaald.
  • Tussengevoegde stukken tekst, die apart zijn gesigneerd, krijgen ook een aparte vermelding in de vingerafdruk. Een collatieformule als A-2D4 a-g4 2E-2F4 wordt in drie onderdelen opgenomen in de vingerafdruk als: 1b1 A2 ... : # 1b2 2D3 ... - # 2b1 a1 ... : # 2b2 g3 ... - # 3b1 2E1 ...: # 3b2 2F3 ...
  • Indien een regelmatige reeks signaturen wordt onderbroken door een gesigneerd voorwerk van een tweede inhoudelijk deel, dan wordt dat voorwerk afzonderlijk in de vingerafdruk opgenomen en het voor de rest regelmatig doorgesigneerde hoofdwerk als één geheel beschouwd. Een collatie als A-2C8 *8 2D-3P8 wordt dus opgesplitst in een voorwerk en een hoofdwerk in de vingerafdruk als: *a1 *2 ... : # a2 *5 ... - # b1 A2 ... : # b2 3P5
  • Het nawerk wordt enkel en alleen in de vingerafdruk opgenomen wanneer het afzonderlijk is gesigneerd. Verder gelden dezelfde regels als bij het voorwerk.

22.12.4.3. Meerdelige werken

Bij meerdelige werken wordt van elk deel een volledige afzonderlijke vingerafdruk gemaakt. Voor elk deel wordt een nieuw veld met een nieuwe jaar-en-formaat-code gebruikt. Elke vingerafdruk wordt voorafgegaan door deelnummer # spatie.

Voorbeeld:

  • 1# 162508 - # a1 ...
  • 2# 162608 - # a1 ...
  • 3# 162608 - # b1 ...

Bij een variant in de vingerafdruk kan worden volstaan met een herhaling van de vingerafdruk van het betreffende deel in een nieuw veld.

Voorbeeld:

  • 2# 162508 - # b1 A2 onze : # b2 P3 v
  • 2# 162508 - # b1 A2 nze$ : # b2 P3 v

22.12.4.4. Niet gesigneerd

Is een boek (of het hoofdwerk ervan) geheel ongesigneerd of zijn er uitsluitend onbruikbare signaturen, dan wordt een alternatieve vingerafdruk genomen. Er wordt gekozen voor de eerste (maar niet de titelpagina!) en laatste bedrukte rectobladzijde van iedere inhoudelijke en tegelijk bibliografische onderafdeling van het boek (voorwerk, hoofdwerk en nawerk, met eventuele duidelijk onderscheiden onderdelen).

Op die bladzijden wordt het derde woord van de laatste regel genomen in plaats van de afwezige signatuur. Indien de laatste regel geen derde woord heeft, wijkt men uit naar de voorlaatste regel. Daarna wordt het stuk tekst genoteerd van de bovenstaande regel dat precies boven dat derde woord van de laatste regel staat.

Voorbeeld:

Bij een collatieformule[A]-[F]4, waarbij op [A]1, [B]1 en [F]1 respectievelijk het voorwerk, de tekst van het voorwerk en het register beginnen, wordt gekozen voor de f.[A]2 recto en [A]4 recto voor het voorwerk (posities a1 en a2), voor de bladzijden [B]1 recto en [E]4 recto voor het hoofdwerk (posities b1 en b2) en ten slotte voor de bladzijden [F]1 recto en [F]4 recto voor het nawerk (posities c1 en c2).

Indien de tekst van het hoofdwerk en het register midden in een katern beginnen, dan worden enkel de bladzijden [A]2 recto en [F]4 recto gekozen, die dan het hoofdwerk aanduiden (positiesb1 en b2).

Als het voor de vingerafdruk te gebruiken derde woord van de onderste regel zonder spatie verbonden is met het vierde woord (bijvoorbeeld: l’hiver, qu’ils), dan wordt die combinatie als één woord beschouwd.

Een leesteken na zo’n derde woord hoort niet bij dat woord en telt dus niet mee voor het bepalen van de vingerafdruk. Dat geldt voor elk leesteken, ook voor het afkortingspunt (bijvoorbeeld: Nov.).

Wordt een ongesigneerde hoofdtekst aangetroffen in combinatie met wel gesigneerd voor- en nawerk, dan gelden voor dit voor- en nawerk de normale regels.

Indien de bovenstaande regels niet uitvoerbaar zijn (bijvoorbeeld bij atlassen, plaatwerken, bladmuziek, tafels en tabellen), dan wordt na de jaar-en-formaat-code afgezien van de verdere vingerafdruk

Voorbeeld:

  • Vingerafdruk: 163208

22.12.4.5. Onbruikbare signaturen

Als een signatuur niet bruikbaar is, dan wordt de volgende (voor de posities a1, b1 en c1) respectievelijk de vorige (voor de posities a2, b2 en c2) wel bruikbare signatuur in plaats van de onbruikbare signatuur genomen.

Een signatuur is onbruikbaar:

  • Als er geen tekst boven staat.
  • Als de laatste regel precies boven de katernsignatuur eindigt. Eindigt de laatste regel voordat de katernsignatuur begint, dan wordt de tekst van de voorlaatste regel gebruikt.
  • Als de onderkant van de katernsignatuur meer dan 25 mm ligt van de onderkant van de laatste bruikbare tekstregel.
  • Als de katernsignatuur onder een afbeelding, grafiek, tabel, lijn, notenbalk, kaart enz. valt, of onder het wit of de verticale lijn tussen twee kolommen.
  • Als de bedoelde symbolen in een niet-Latijns of niet-Grieks alfabet staan (Arabisch, Hebreeuws, cyrillisch, ...).

Soms kan het nuttig of nodig zijn een onbruikbare katernsignatuur toch te gebruiken. In dat geval wordt dat aangegeven met een * (asterisk) voor de indicatoren (bijvoorbeeld * b1 A2 ...). Dit kan het geval zijn als het de enige of de enige althans enigszins bruikbare signatuur is in de betreffende sectie van een boek met verder onbruikbare signaturen. Ook indien in het hele werk de signaturen door een lijn gescheiden zijn van een omkaderde tekst, wordt op deze manier een vingerafdruk genomen. Wanneer er slechts één vingerafdrukpositie is, wordt het sterretje niet herhaald (dus bijvoorbeeld *b1=b2 ...).

22.12.5. Tekst boven de signatuur

Het stuk tekst dat boven de voorgeschreven signatuur valt, wordt genoteerd. Concreet betekent dit: de tekens die in hun geheel binnen de signatuur vallen. Bij blijvende twijfel omtrent de situatie kunnen twee vingerafdrukken worden opgenomen. Het gebeurt immers dat een zwaardere inkting tot verschillen leidt.

Valt een signatuur echter onder slechts een gedeelte van één teken of gedeelten van twee opeenvolgende tekens, dan gelden deze gedeelten als hele tekens.

Onder tekens wordt verstaan: typografische eenheden als letters, cijfers, leestekens, symbolen, enz.. Een spatie geldt ongeacht de lengte ervan als één teken, en wordt weergegeven als $ (dollarteken).

De ij wordt (ongeacht de taal of betekenis) als één dan wel twee tekens beschouwd, afhankelijk van de in het boek gebruikte typografie.

Bij de hoofdletter Q met een lange staart, die onder één of meer volgende letters doorloopt, wordt voor de vingerafdruk deze staart verwaarloosd. Als bijvoorbeeld bij de letters urbs. Quae est de staart van de Q doorloopt onder de letters uae es, dan geldt als tekst boven de signatuur:

  • Qu indien de cirkel van de Q en de u boven de signatuur staan.
  • bs.$Q indien de letters bs. en de cirkel van de Q boven de signatuur staan.
  • ae$e indien de letters ae en de letter e boven de signatuur staan.

Dit alles ondanks het doorlopen van de staart van de Q. Bij vergelijkbare gevallen (waar een krul onder of boven eerdere of latere letters doorloopt) wordt naar analogie gehandeld. Bij een italieke lange S die in een ligatuur verbonden is met de volgende letter bijvoorbeeld bij st geldt echter dat de volledige letter boven de signatuur moet vallen om opgenomen te worden.

De ligaturen Æ , æ, Œ, œ, & (steeds als ligatuur overgenomen) en ß (getranscribeerd als ss) worden behandeld als één teken. Alle andere ligaturen worden beschouwd als meerdere tekens. Afkortingen met krulletjes worden genegeerd. Als er een afkortingspunt staat wordt dit geciteerd.

Kleinkapitalen worden ook beschouwd als kapitalen: IESV CHRISTI wordt dus in vingerafdruk IESV CHRISTI.

Als een vingerafdruk van Griekse tekens kan worden vermeden door respectievelijk de volgende of de vorige signatuur te gebruiken, verdient dat de voorkeur. Daardoor worden problemen van transcriptie van ligaturen en accenten vermeden. Indien dit niet mogelijk is, worden de Griekse letters naar Latijnse getranscribeerd.

In de mate van het mogelijke worden ook andere alfabetten (Arabisch, Hebreeuws, cyrillisch, Oud-Kerk-Slavisch, Koptisch, demotisch, Aramees, lineair A, ...) getranscribeerd voor de vingerafdruk. In het slechtste geval zal de vingerafdruk worden beperkt tot de jaar-en-formaat-code.

Teneinde interpretatieverschillen omtrent leestekens (vooral komma’s) te voorkomen, geldt als regel dat tussen een leesteken en het voorafgaande woord nooit een spatie wordt genoteerd. Tussen het leesteken en het volgende woord wordt altijd een spatie genoteerd.

22.12.6. Invoer

Bij bibliografisch nummer wordt in het veld Nummer de eigenlijke vingerafdruk ingevoerd volgens het protocol dat hierboven werd beschreven.

Als type wordt fingerprint geselecteerd.

Controle wordt uitgevinkt.

22.13. Relaties

22.13.1. Relaties tussen afzonderlijke fysieke eenheden

Meestal zijn de regels van de moderne drukken van toepassing. Maar wat in de ene bibliotheek als aparte fysieke eenheden bestaat, kan in een andere bibliotheek samen voor komen in één band. Zie daarom ook Relaties tussen beschrijvingen van publicaties in één band.

22.13.2. Relaties tussen beschrijvingen van publicaties in één band

We onderscheiden volgende situaties:

1. Drukwerken met semi-onafhankelijke onderdelen

De onderdelen maken deel uit van een geheel, maar ze zouden ook afzonderlijk kunnen voorkomen want ze zijn afzonderlijk van de pers gekomen. De eerste publicatie in de band wordt beschouwd als de moederbeschrijving.

Als semi-onafhankelijk worden beschouwd als ze volgende vier kenmerken vertonen:

  • Ze worden aangekondigd op de titelpagina van het voorwerk.
  • Ze beginnen met een aparte titelpagina.
  • Ze zijn apart gesigneerd.
  • Ze zijn apart gepagineerd.

De beschrijving daarvan verloopt grosso modo identiek als die van de onafhankelijke publicaties. Er zijn speciale regels voor:

  • convoluutconstructie: is nodig om de fysieke band te construeren, als je over alle onderdelen beschikt in één band. Als de onderdelen apart voorkomen, is een convoluutconstructie niet nodig.
  • collatie: in de moederbeschrijving worden de gegevens over het geheel opgenomen (volledige collatie); in de onderdelen de gegevens over het onderdeel.
  • fingerprint: bij de moederbeschrijving voor het geheel; bij de onderdelen enkel voor het onderdeel.
  • relaties: iswi verwoord als “ook uitgegeven met...” van moederbeschrijving naar dochter(s). (wiis van dochter naar moeder).

2. Drukwerken met afhankelijke onderdelen

Als het gaat om zgn. afhankelijke onderdelen (die dus niet beantwoorden aan bovenstaande kenmerken, of waarbij de signatuur suggereert dat ze op een andere volgt, bv. AA) dient gekeken te worden naar de aard van de titel:

  • Als het gaat om sprekende titels van dezelfde auteur, zonder bindtekst: die kunnen bij de beschrijving van het hoofdwerk worden ingevoerd als meervoudige titel.
  • Sprekende titels van dezelfde auteur, met bindtekst: maken deel uit van de hoofdtitel. Neem een annotatie op van het type ewi als de titel op de tussentitelpagina afwijkt van de hoofdtitelpagina.
  • Als het gaat om sprekende titels van andere auteurs: daarvoor worden aparte records gemaakt die aan het hoofdwerk worden verbonden met de relatie iwe. Die relatie kan hier wel gebruikt worden omdat het gaat om het beschrijven van de ideal copy. Als er toch een onderdeel zou ontbreken, dient dat in een annotatie bij het pk of het exemplaar te worden verduidelijkt (bv. taalonafhankelijke code <MI>: titel X). In alle records wordt het impressum ingevuld. De collatie voor het geheel wordt bij de moederbeschrijving ingevoerd; de collatie voor het onderdeel bij het onderdeel. De fingerprint wordt alleen bij de moederbeschrijving ingevuld.
  • Als het gaat om niet sprekende titels (van dezelfde auteur), dan is de titel onderdeel van de hoofdtitel. Neem een annotatie op van het type ewi als de titel op de tussentitelpagina afwijkt van de hoofdtitelpagina.
  • Bij niet sprekende titels (andere auteur) is de titel onderdeel van de hoofdtitel. Neem een annotatie op van het type ewi als de titel op de tussentitelpagina afwijkt van de hoofdtitelpagina. De auteur van het bijgevoegd werk wordt mee opgenomen als auteur.

3. Werken opnieuw uitgegeven met nieuwe titelpagina

Aangezien de werken afzonderlijk kunnen voorkomen, maar ook samen, moet er ook altijd een record worden aangemaakt voor de fysieke verzamelband (convoluutconstructie).

De relatie colof/ofcol maakt het verband duidelijk tussen de titels. In de moederbeschrijving (colof) wordt ze verwoord als “Bundeling van”; in de dochterbeschrijvingen (ofcol) wordt ze weergegeven als “Ook uitgegeven in”.

Samengevat:

  • Naakte beschrijving voor de fysieke band - c:lvd:1
  • Beschrijving voor de nieuwe titelpagina (c:lvd:2), die in het pk verwijst naar het convoluut c:lvd:1. In deze moederbeschrijving wordt enkel de fingerprint en de collatie van het nieuw gedrukte voorwerk en de nieuwe titelpagina beschreven. Een volledige collatie en fingerprint lijkt in de praktijk vaak onmogelijk omdat de samenstelling van zulke containerconstructies heel wisselvallig kan zijn. Er wordt een relatie colof gelegd naar de onderdelen.
  • Beschrijving van de onderdelen (c:lvd:3, 4, 5), gerelateerd aan die beschrijving (c:lvd:2) en een pk dat verwijst naar de cloi van het convoluut (c:lvd:1). In deze onderdelen worden steeds de fingerprint en de collatie van het onderdeel vermeld. Er wordt een relatie ofcol gelegd naar de moederbeschrijving.

22.13.3. Relatie naar ander regelwerk

Heel wat oude drukken worden ook beschreven in het regelwerk van STCV, maar volgens andere regels. De catalogus van STCV bevat de vindplaatsen van die publicaties in heel wat andere dan Anet-bibliotheken. Het is daarom zinvol om die beschrijvingen met elkaar te verbinden, zodat er in de Anet-catalogus kan doorgeklikt worden naar de STCV-catalogus.

Daarvoor wordt de relatie lstcv gebruikt (zonder volgnummer).

22.14. Ordonnantie (verschenen voor 1830)

Voer de naam van de uitvoerende overheid in als overheidscorporatie, met auteursfunctie aut.

De naam van diegene die de ordonnantie heeft ondertekend wordt opgenomen met de auteursfunctie edt.

Voer de hoofdtitel in. Kort in waar nodig om tot een betekenisvolle en onderscheidende titel te komen. Onduidelijkheden kunnen in een algemene noot worden opgevangen.

De bron van de hoofdtitel is titelpagina indien er een echte titelpagina is, of document wanneer er geen titelpagina is maar de titel uit de aanhef of elders uit het document is afgeleid.

De taal van de hoofdtitel is de taal waarmee het titelveld begint.

Voer een sorteertitel in. De sorteertitel wordt code <ORD> met als extensie het jaar, de maand en de datum. De code <ORD> wordt vertaald in de OPAC door Ordonnantie. Het jaar, de maand en de datum worden gescheiden door een komma.

Voorbeeld:

  • Extensie: 1601,08,03 (volledige datum bekend)
  • Extensie: 1601,00,03 (jaar en dag bekend, maand niet)
  • Extensie: 1601,08,00 (jaar en maand bekend, dag niet)
  • Extensie: 1600,08,03 (maand en dag bekend, jaar niet maar vermoedelijk 17de eeuw; algemene noot verduidelijkt de situatie)
  • Extensie: 0000,00,00 (jaar, maand en dag onbekend; of: jaar onbekend; maand en jaar wel)

De bron van de sorteertitel is extern.

De taal van de sorteertitel is mul.

Als de ordonnantie wordt gedigitaliseerd, dan wordt de afbeelding opgenomen in het veld Abstracts, inhoud en illustraties.

Voorbeeld:

  • Titel: Gheboden ende uyt-gheroepen ... den 7 ianuarij 1648: alsoo Francis Bollaert ... moet-willighlijck te quetsen ... Jan Verbrugghen ... waer van hy in doodts noodt is ligghende.
  • Type: Sorteertitel
  • Titel: <ORD>
  • Extensie: 1648,01,07
  • Auteur: P. van Valckenissen
  • Corporatie: Antwerpen, Stad

22.15. Aflevering van een tijdschrift of jaarboek

Oude drukken die verschenen zijn als aflevering van een tijdschrift of jaarboek worden beschreven als monografieën.

Bijzonderheden:

  • Ze krijgen nooit het lidmaatschap Antilope.
  • Ze worden met een speciaal relatietype tn (tijdschrift naar nummer) gekoppeld aan een koepelbeschrijving voor de hele reeks, die gelijkloopt met de huidige beschrijving van tijdschriften maar ook geen lidmaatschap Antilope krijgt.

Voorbeeld:

  • Gerieflijke nieuwjaersgift
  • Curtis’s botanical magazine